In een zeer recente uitspraak (11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:739) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opnieuw duidelijk gemaakt dat belangenorganisaties, in dit geval een stichting, niet snel als belanghebbende worden aangemerkt bij besluiten, zoals een verleende vergunning. Dat geldt ook wanneer de statutaire doelstelling van de organisatie in brede zin raakt aan het onderwerp van dat besluit.
De casus
De “Stichting Betaalbare Woonstad Amsterdam”, opgericht doorburgers die het Amsterdamse huisvestingsbeleid willen veranderen, maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor het bouwkundig splitsen van een eengezinswoning in vier zelfstandige woningen.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat de stichting volgens het college geen feitelijke werkzaamheden had verricht anders dan het aanvechten van besluiten. De stichting ging hiertegen in beroep. De rechtbank oordeelde dat het college de stichting ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard, maar liet de vergunning wel in stand.
In het hoger beroep, ingesteld door de stichting, kwam de ontvankelijkheid van de stichting opnieuw centraal te staan.
Oordeel van de Afdeling
De Afdeling sluit aan bij haar vaste rechtspraak over belanghebbendheid van rechtspersonen, onder meer de uitspraak van 26 januari2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP2116). Niet alleen de statutaire doelstelling is van belang, maar ook de vraag of daadwerkelijk feitelijke werkzaamheden zijn verricht ter behartiging van dat doel. Daarbij wordt gekeken naar activiteiten tot uiterlijk de dag vóór het einde van de bezwaartermijn.
Het enkel voeren van procedures geldt in beginsel niet als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Dat geldt ook voor daarmee samenhangende handelingen, zoals het indienen van zienswijzen of het verzamelen van informatie voor procedures(vgl. ECLI:NL:RVS:2025:1835 en ECLI:NL:RVS:2024:373).
De stichting werd opgericht op 30 november 2020, maakte op 3december 2020 bezwaar en de bezwaartermijn liep af op 4 december 2020. Op 3december diende zij bovendien een inspraakreactie in over de Huisvestingsverordening Amsterdam 2021.
Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de stichting met deze enkele inspraakreactie onvoldoende feitelijke werkzaamheden heeft verricht waaruit — in samenhang met de zeer ruim geformuleerde statutaire doelstelling — blijkt dat zij de bij de omgevingsvergunning betrokken belangendaadwerkelijk behartigde. Daarbij weegt mee dat de inspraakreactie betrekking had op woningonttrekking, terwijl de vergunning zag op bouwkundig splitsen.
De rechtbank heeft de stichting ten onrechte als belanghebbende aangemerkt en ten onrechte ontvankelijk geoordeeld in haarberoep, aldus de Afdeling. De uitspraak van de rechtbank is daarom door de Afdeling vernietigd.
Betekenis voor de praktijk
Met deze uitspraak bevestigt de Afdeling opnieuw dat stichtingen en andere belangenorganisaties niet snel als belanghebbende worden aangemerkt bij besluiten, ook niet wanneer hun doelstelling in brede zin aansluit bij het onderwerp van het besluit. Doorslaggevend is of zij vóór het einde van de bezwaartermijn feitelijke werkzaamheden hebben verricht waaruit blijkt dat de organisatie de bij het besluit betrokken belangen daadwerkelijk behartigt. Enkel procederen tegen dat besluit of inspreken over dat onderwerp is daarvoor onvoldoende.
Belangenorganisaties die besluiten, zoals vergunningen, willen aanvechten moeten daarom tijdig aantoonbare activiteiten verrichten die daadwerkelijk bijdragen aan hun doelstelling én relevant zijn voor het specifieke besluit.
Wilt u meer weten over de belanghebbendheid van stichtingen of andere belangenorganisaties, in het bijzonder binnen het huisvestingsrecht? Neem gerust contact met ons op.



