Zelfbewoningsplicht en verhuurvergunningplicht
De Huisvestingswet geeft gemeenten sinds 1 juli 2023 de bevoegdheid om in hun Huisvestingsverordeningen een zelfbewoningsplichten een verhuurvergunningplicht op te nemen. De bedoeling daarvan is dat sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen niet zomaar kunnen worden gekocht en verhuurd door opkopers. Een koper van zo een woning moet zelf daarin gaan wonen. Verhuur mag ook, maar dan niet zonder verhuurvergunning. Op die manier wordt voorkomen dat ‘huisjesmelkers’, gebruikmakend van de schaarste aan betaalbare huurwoningen, te hoge huurprijzen rekenen voor de relatief goedkope woningen die zij hebben opgekocht.
Alblasserdam treedt handhavend op
Steeds meer gemeenten kennen een verhuurvergunningplicht. Rotterdam, Den Haag, Leeuwarden en Leiden bijvoorbeeld. Amsterdam nog niet, tenzij het om vakantieverhuur gaat. Alblasserdam daarentegen weer wel. In Huisvestingsjournaal #43 kwam al een Alblasserdamse zaak aan de orde, die voor de gemeente bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam niet goed afliep. Die zaak ging over handhaving tegen het omgezet houden van een woning (kamerpand) zonder omzettingsvergunning. Bij dezelfde rechter liep een zaak over de handhaving van de verhuurvergunningplicht wél goed af voor de gemeente Alblasserdam.
De zaak: twee woningen verhuren zonder verhuurvergunning
De zaak draait om een dame die twee woningen in Alblasserdam had gekocht, maar er zelf niet in was gaan wonen. Zij ging ze verhuren aan een werkgever, die de woningen op zijn beurt aan zijn werknemers ter beschikking stelde. Zij beschikte echter niet over de vereiste verhuurvergunning. De gemeente Alblasserdam legde haar daarom een last onder dwangsom op. De last behelsde dat de verhuurster de woningen niet meer mocht verhuren tot 4 jaar na verwerving van de woningen. De eigenaresse verbeurde als nel een dwangsom, waarna die fors werd verhoogd. Haar bezwaren werden afgewezen en zij ging in beroep. Ook diende zij een verzoek om voorlopige voorziening in om schorsing van de last onder dwangsom te bewerkstelligen. Bij de voorzieningenrechter betoogde zij dat het besluit van de gemeente Alblasserdam directe negatieve gevolgen heeft, waaronder leegstand, de onmogelijkheid om contractuele verplichtingen na te komen en complicaties voorde gehuisveste personen en de betrokken werkgever.
Uitspraak van de rechter
De Rotterdamse voorzieningenrechter overweegt onder meer het volgende in zijn uitspraak van 3 maart 2026[1]:
Gelet op de Notitie bestrijden onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woningen Alblasserdam en de toelichting bij de Huisvestingsverordening Alblasserdam 2022 is het aannemelijk dat er schaarste is en een noodzaak voor een vergunningstelsel tegen het opkopen van woningen in het goedkope en middeldure segment. Dit vergunningstelsel is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet discriminatoir en de noodzaak tot ingrijpen in de woningvoorraad en de evenredigheid hiervan is afdoende uiteengezet in de toelichting bij de Huisvestingsverordening. Er is geen strijd met de Dienstenrichtlijn en er bestaat geen aanleiding voor het onverbindend achten dan wel buiten toepassing laten van artikel 4.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening.
(…)Verzoekster heeft de twee woningen, die vallen onder de opkoopbescherming, in gebruik gegeven binnen een periode van vier jaar na de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering.”
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening vervolgens af.
Conclusie
Dit is een interessante zaak, omdat het de vraag is of de gemeente Alblasserdam met de opkoopbescherming en de handhaving daarvan niet haar doel voorbij schiet.
De woningen stonden kennelijk te koop, leegstand is ook geen optie en er is een schreeuwend gebrek aan huurwoningen. Ook arbeidsmigranten, waarom het hier lijkt te gaan, zijn slachtoffers van de woningnood. Een constructie als deze kan best sociaal zijn voor allen die erbij betrokken zijn, mits uiteraard geen sprake is van woekerhuren en uitbuiting.
Het Huisvestingsjournaal is daarom benieuwd naar wat de Rechtbank Rotterdam in de bodemprocedure zal overwegen ten aanzien van het beroep. Wij zullen deze zaak dan ook blijven volgen.
[1]Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 3 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:774.



